Ga naar inhoud

Afdrukken

Tekeningen worden met een CAD-systeem vrijwel altijd op ware grootte (1:1) getekend. Als dat bij uw tekening niet het geval is, wilt u dit wellicht corrigeren voordat u verdergaat. Indien nodig kunt u uw tekening met een willekeurige factor schalen met het gereedschap Modificeren > Schaal.

Als uw tekening een tekeningrand of titelblok heeft, schaal dan de rand of het titelblok in plaats van de tekening. Als uw tekening bijvoorbeeld op een schaal van 1:5 moet worden afgedrukt (factor 0,2 of vijf keer kleiner dan ware grootte), schaal dan uw tekeningrand of titelblok met een factor 5, dat wil zeggen: voeg deze vijf keer groter in dan u ze wilt afdrukken. Dezelfde schaal moet worden toegepast op tekstlabels en bematingseigenschappen (bematingspijlen, labels, tussenruimten, enz.).

Als alternatief kunt u layoutblokken en viewports gebruiken om een lay-out van uw tekeningrand en tekening te maken, zoals beschreven in de Tutorial: Werken met layoutblokken en viewports.

  • Open het DXF/DWG-bestand dat u wilt afdrukken.
  • Bewerken > Tekeningsvoorkeuren (NIET Programma Voorkeursinstellingen)
  • Controleer en pas de tekening-eenheid en papiereenheid aan onder Algemeen > Tekening eenheid: Instellingen voor de tekening-eenheid in de tekeningsvoorkeuren
  • Controleer en pas Afdrukken > Pagina > Papierformaat en de schaal aan (indien bekend): Instellingen voor papierformaat en schaal in de tekeningsvoorkeuren
  • Controleer en pas Afdrukken > Meerdere pagina’s > Lijmranden aan. Deze marges worden gebruikt als overlap bij het afdrukken op meerdere pagina’s, maar beïnvloeden ook de gereedschappen om de tekening automatisch op het papier te passen of te centreren: Instellingen voor lijmranden bij het afdrukken op meerdere pagina's
  • Op dezelfde dialoogpagina kunt u ook het aantal kolommen en rijen aanpassen dat wordt gebruikt bij het afdrukken op meerdere pagina’s.

Kies Bestand > Afdruk voorbeeld om naar de afdrukvoorbeeldmodus te schakelen.

Opties voor schaal en papierpositie in de werkbalk van het afdrukvoorbeeld
  • Als de gewenste afdrukschaal bekend is (bijv. 1:2, 1:10, 2:1, 200:1, enz.), stelt u de nauwkeurige, gewenste schaal in (2:1 in dit voorbeeld) [1]. Als de gewenste schaal van uw tekening niet bekend of irrelevant is, klikt u op de knop om de tekeningschaal aan het gekozen papier aan te passen [3].
  • Pas optioneel de papierpositie aan met het gereedschap Papierpositie verplaatsen [2] of gebruik de knop om de tekening op het gekozen papier of de gekozen papieren te centreren [4].
  • Om in zwart-wit of grijstinten af te drukken, klikt u op het juiste pictogram in de optiebalk: Zwart-wit- en grijstintenpictogrammen in de optiebalk
  • Uw tekening zou op een wit papier moeten worden getoond, zoals hier weergegeven: Tekening getoond op één witte pagina in het afdrukvoorbeeld

Als uw tekening op een grijze achtergrond wordt getoond, controleer dan opnieuw uw papier- en schaalinstellingen. Als de paarse rechthoek door uw tekening loopt, controleer dan de lijmranden in de tekeningsvoorkeuren.

  • Als u ervoor hebt gekozen om op meerdere pagina’s af te drukken, worden de pagina’s naast / onder elkaar getoond: Tekening verspreid over meerdere pagina's in het afdrukvoorbeeld

Om de tekening af te drukken, kiest u Bestand > Afdrukken.

Om de tekening met de gekozen lay-out naar PDF te exporteren, kiest u Bestand > PDF exporteren.

Als uw afdruk erg licht of fijn is (dunne lijnen), wilt u wellicht de diktes van uw objecten aanpassen. Lijndiktes worden gewoonlijk geregeld via laageigenschappen. Selecteer de laag die te fijn afdrukt, kies vervolgens Laag > Laag attributen bewerken en wijzig de dikte in iets dikkers. Vermijd de lijndikte “Default”, aangezien deze wordt afgedrukt met de geconfigureerde standaardlijndikte (Bewerken > Programma Voorkeursinstellingen > Grafische weergave > Uiterlijk > Lijntypes en lijndiktes > Standaardlijndikte) en mogelijk niet zichtbaar is.

Als het bovenstaande het probleem niet oplost, zorg er dan voor dat de haarlijnmodus niet is ingeschakeld voor uw tekening:

  • Laad uw bestand
  • Kies het menu Bestand > Afdruk voorbeeld
  • Zorg ervoor dat de knop om de haarlijnmodus in/uit te schakelen niet is aangevinkt. In dit voorbeeld is deze aangevinkt en moet worden uitgevinkt (klik op de knop om deze uit te vinken): De schakelknop voor de haarlijnmodus in de werkbalk van het afdrukvoorbeeld

Printers zijn niet 100 % nauwkeurig en papier zet uit / krimpt afhankelijk van temperatuur en luchtvochtigheid. U kunt uw printer kalibreren onder Bewerken > Programma Voorkeursinstellingen > Printerinstellingen > Kalibratie. Als uw afdruk bijvoorbeeld 2 % te klein is in de Y-richting, stelt u Factor Y in op 1,02.